Een omgetoverde school

Eigenlijk had de school plat gemoeten, maar het liep toch uit op verbouw van het bestaande pand. Dat is nou net het leuke van het vak: uitvinden wat er binnen de randvoorwaarden allemaal kan.

Het is een lang proces geweest, het omtoveren van een gewezen school in Leeuwarden tot een gebouw waar goed gewoond én gewerkt kan worden. Maar het was vooral ook een inspirerend en leerzaam proces, vindt André Hogenelst, architect in Groningen. Het begon zoals het vaak begint: via kennissen worden opdrachtgever en ontwerper met elkaar in contact gebracht. ,,Toen ben ik eens wezen kijken en praten en het klikte.” Gerlof Hamersma, die met zijn partner Mariëtte Roholl in het oude pand woonde, is kunstenaar en dus ook intensief met ruimtelijkheid bezig. ,,Het praat makkelijk als je daarover een beetje op één lijn zit.” Dat contact met opdrachtgevers is een wezenlijk onderdeel van zijn werk, vindt Hogenelst, die een eenmanszaak heeft. Bijna het eerste woord op zijn website is ‘ ontmoeting’. ,,De omgang met de opdrachtgever vind ik érg leuk. Hij en zijn opdracht zijn, om het zo maar te zeggen, mijn ding.”

Eigenlijk verkeerde het schoolgebouw in een zodanige staat dat er niet meer in gewoond kon worden. Nieuwbouw zou vermoedelijk praktischer en goedkoper zijn, dus werd er een ontwerp getekend voor iets helemaal nieuws. Maar een paar bezoeken aan het stadhuis leverden een ‘ nee’ op: de gemeente wilde vasthouden aan de bepalingen uit het bestemmingsplan voor die plek en dat betekende dat er niets mocht komen dat hoger was dan wat er stond. ,,We mochten hooguit een tot anderhalve laag bouwen. Toen zijn we toch maar weer eens gaan kijken of we wat met het bestaande pand konden.”

Het betekende overigens niet dat de eerste tekening hopla bij het oud papier kon. ,,Het is niet iets wat je van de ene op de andere dag hoort; het besef begint langzaam wel door te sijpelen. En bovendien was een aantal elementen uit het eerste ontwerp goed bruikbaar in het bestaande pand.” De eerste ingreep was het weghalen van de plafonds. Die belemmerden de lichttoetreding aan de noordkant – toch een wezenlijke voorwaarde voor een goede kunstenaarswerkruimte. En dat strippen van het pand heeft de architect doorgezet. ,,We hebben de gevels gewoon kaalgetrokken. De kozijnen waren wel slecht maar de gaten voor de raampartijen waren best bruikbaar.”

De binnenkant werd ook leeggehaald en vervolgens werd de kale basis weer ingevuld. Binnen een open geheel met alleen één langgerekt element voor keuken en sanitair. ,,De rest is vrij te bestemmen voor het ‘ slapen en spelen’.” De zuidgevel ging er helemaal uit en daarvoor in de plaats kwam een nieuwe gevel met een ritme van deels hout, deels glas, van waaruit de bewoners de tuin in konden stappen. De gevel van oost naar west is haast een en al glas en verder is er één doorbraak gemaakt aan de bovenkant voor ,,een verdiepinkje op, nee zeg maar ín het dak; het kroontje op het totale plan.” De opdrachtgever was uiteindelijk zo ingenomen met het resultaat dat hij voorstelde het plan in te dienen voor de Vredeman de Vriesprijs, wat prompt uitmondde in een nominatie.

Dat onderzoeken van de opdracht, het praten met en begrijpen van de opdrachtgever, het tekenen en desnoods helemaal omwerken van de plannen om aan de wensen van gemeente en de toekomstige gebruikers te kunnen voldoen: daar gaat het om. ,,Ik ben niet zo geïnteresseerd in een ‘handschrift’ maar juist in de bestaande locatie en de omgeving, en in de eisen van de opdrachtgever. Daar ontstaan dan soms wel discussies, maar dat komt alleen

maar ten goede aan het ontwerp. En zo is elke opdracht weer helemaal nieuw, want geen opdrachtgever is hetzelfde. Je moet je steeds opnieuw instellen. Want het gaat erom dat jij en de opdrachtgever er plezier aan beleven.”
Geen handschrift dus, maar er zijn wel elementen waar André Hogenelst aan hecht en die terug te vinden zijn in zijn werk. ,,In veel van mijn plannen en plannetjes probeer ik iets van een route te creëren, van binnen naar buiten en ook van de ene plek binnen naar de andere. Zodat je een soort ontdekkingstocht krijgt in een gebouw. Dat klinkt wat zwaar aangezet misschien; ik bedoel dat het leuk is als je ruimtes op verschillende manieren kunt gebruiken. Dat je er geborgenheid in kunt vinden, maar er ook de mogelijkheid hebt te genieten van de omgeving. Dus dat niet alles vastligt en dichtgetimmerd is, maar dat er ook een doorkijkje is, en een opening. Als je bijvoorbeeld een loft zou hebben, en je maakt er een verdiepingslaag in waar je op verschillende manieren van boven naar beneden kunt, heb je het al te pakken.” Gewoon een kwestie van persoonlijke voorkeur. ,,Veel mensen houden heel erg van wandelen. Ik ook, als ik telefoneer ga ik lopen. Dat doe ik nu ook. Het is prettig om dat te kunnen doen in huis, dat je steeds ergens anders kunt belanden, bij een uitzicht of een indruk, een ding aan de wand.”
Maar, haast hij zich te zeggen, dat zou je dan misschien kunnen omschrijven als Leitmotiv in zijn werk, maar het is zeker geen leidraad. ,,Want het is natuurlijk lang niet altijd haalbaar. En er zijn miljoenen huizen zonder zo’n ‘route’, die zichzelf hebben bewezen in termen van bruikbaarheid, technische levensduur, economische haalbaarheid en prijs- kwaliteitverhouding. Architectuur is natuurlijk niet een kwestie van frivool bezig zijn en maar kijken waar het schip strandt; opdrachten zijn altijd afgekaderd door randvoorwaarden en dát blijft ook leuk, daarbinnen kunnen je ook altijd heel veel doen.”

Appelscha
Overigens is hij – als dat zo eens uitkomt – ook graag buiten bezig, wat voor randvoorwaarden of opdrachten dan ook. Met collega-architecten Poppe Ytsma en Menne Drenth onderzocht hij bijvoorbeeld hoe er van Appelscha meer een eenheid te maken zou zijn. Die belangstelling vloeide voort uit de contacten met Staatsbosbeheer, die opdrachtgever was van een ontwerp voor de verbouw van het openluchttheater. Nu zijn er plannen om het bezoekerscentrum misschien te verhuizen van de huidige geïsoleerde plek buiten het dorp naar een prominentere plaats binnen de kom. ,,En wij hebben, áls je dat zou doen bedacht wat je dan nog meer zou kunnen doen om verschillende elementen van Appelscha te verbinden.”

Of met die visionaire schetsen iets gedaan wordt en de architecten dan op een of andere wijze profiteren van de spin off, blijft een open vraag. Dat hoort bij die tak van sport. Maar er wordt intussen genoeg ontworpen voor de realiteit – een boerderij ombouwen tot zorgboerderij, een woning op de grens tussen Drenthe en Fryslân, twee bedrijfsgebouwen – en er staat intussen ook al heel wat van Hogenelsts hand. Trots is hij bijvoorbeeld op het atelier voor een glaskunstenaar in Groningen, dat op net zo’n besloten binnenterrein staat als het verbouwde schoolgebouw in Leeuwarden. Bouwen wat de opdrachtgever wilde – een hoog volume met veel noorderlicht waar hij zijn soms grote opdrachten als hoge kerkramen in hun volle en volledige glorie kon (laten) zien, met een beweegbare vloer ervoor zodat hij op en neer kan langs het werkstuk – en dat dan allemaal inpassen binnen de strikte beperkingen en mogelijkheden van dat gebiedje, zo’n ingewikkelde puzzel is koren op de architectenmolen.

(artikel gepubliceerd in Friesch Dagblad)